Recensies

Vrolijke beestenboel met katten en andere stripdieren

0 0
Read Time:3 Minute, 13 Second

Recensie

Al zolang er stripverhalen bestaan, komen daar dieren in voor. Soms als side-kicks of merkwaardige beesten die de helden tegenkomen in jungles en oerwouden. Maar ook als hoofdpersonage. Bekende voorbeelden zijn Donald Duck, Garfield en Tom Poes. In de tentoonstelling Beestenboel duikt het Museum of Comic Art in in de wereld van de stripdieren.

Tekst en foto’s: Evert-Jan Pol

Stripmuur met veel dieren.

Dat twee van de drie bovengenoemde voorbeelden katten zijn, is niet heel toevallig. Poezen genieten een enorme populariteit; niet alleen op het internet, maar ook in (strip)boeken.

Hun eigenzinnige karakter maakt dat ze in strips overal een mening over hebben, die ze zeer zeker niet onder stoelen of banken steken. Denk bijvoorbeeld aan de Amerikaanse Heathcliff, de verknipte kater Billy uit Bloom County en de rode je-weet-wel kater van Jan, Jans en de kinderen. Zijn filosofische monologen over van alles en nog wat bleken zo populair dat hij vanaf het vierde album geregeld een eigen pagina kreeg. Zijn bijnaam, je-weet-wel-kater, werd in 2016 opgenomen in de Van Dale, als synoniem voor een gecastreerde kat.

Jan Kruis / Irene Berbee, pagina uit Jan, Jans en de kinderen, collectie Irene Berbee.
Jim Davis, Garfield, 1984, Arko Collection / MoCA.
Eddie de Jong en René Windig, Heinz 11 – Puppy love, 1993, Arko Collection / MoCA.

De bekendste stripkat is zonder twijfel het chagrijnige exemplaar Garfield, dat vooral eet en slaapt (een echte kat dus) en ook graag het nodige commentaar levert. Hij is een zwartgallige sarcast en misschien juist daarom zo geliefd.

Waar Garfield zich nog wel als een echte kat gedraagt, hebben de Nederlandse Heinz en Tom Poes veel meer menselijke trekjes. Zij zijn voorbeelden van zogeheten antropomorfische dieren. Ze zien eruit als katten, maar gedragen zich als mensen. Op twee benen wandelen ze door en beleven ze avonturen in hun eigen eigen door andere dieren bevolkte wereld.

Robert Crumb, Fritz the Cat, Fritz the No Good, 1968, Arko Collection / MoCA.

De wereld van de zwarte kat John Blacksad is een stuk duisterder dan die van zijn Nederlandse soortgenoten. Als in een klassieke film noir lost deze norse privédetective – gekleed in lange regenjas – gruwelijke moorden op in het Amerika van de jaren 50. Hij heeft veel weg van Amerikaanse filmspeurneuzen als Philip Marlowe en Sam Spade. Net als zijn menselijke collega’s treedt ook de speurkat op als verteller van zijn eigen verhalen, zoals gebruikelijk in een film noir.

Wellicht treft Blacksad ooit Fritz the Cat aan de andere kant van de wet. Wie zelf een kat als huisgenoot heeft weet dat het dier sadistische trekjes kan hebben. Dat Fritz het slechte pad bewandelt, kan niemand dan ook echt verbazen. Deze lichtelijk criminele kat is enkel geïnteresseerd in seks en drugs. En is dus duidelijk geen je-weet-wel-kater.

Echt kwaadaardig zijn de meeste stripkatten echter niet. Een belangrijke uitzondering vormen de nazi-katten in Maus, Art Spiegelmans beklemmende grafische roman over de Holocaust. De gesprekken die Spiegelman voerde met zijn vader, een holocaust-overlever, vormden de basis voor de strip waarmee hij de Pulitzerprijs won. Om afstand te creëren tot de vreselijke gebeurtenissen beeldde de auteur zijn Joodse familie af als muizen en de nazi’s als katten.

Maus is het ultieme bewijs dat een dierenstrip ook bloedserieus kan zijn. Maar veel vaker zorgen dieren in strips voor een vrolijke noot, ook als ze alleen maar een bijrol hebben. In het Museum of Comic Art spelen ze tijdelijk allemaal een hoofdrol. En ze maken er een vrolijke beestenboel van.

Beestenboel, t/m 12 november in Museum of Comic Art, Noordwijk

Waardering: @@@@@@@@@@

Happy
Happy
0 %
Sad
Sad
0 %
Excited
Excited
0 %
Sleepy
Sleepy
0 %
Angry
Angry
0 %
Surprise
Surprise
0 %
Share