Jezus met een tutu en op een draaiorgel

Recensie

De een ziet verminkte beelden en zal van heiligschennis spreken, de ander kan de originaliteit en het hergebruik waarderen. Het Noordbrabants Museum wijdt een tentoonstelling aan heiligenbeelden die een nieuw leven kregen.

Tekst en foto’s: Evert-Jan Pol

Jacques Frenken, Crucifix/Target, 1966, Museum voor Religieuze Kunst, Uden.

Volgens het museum is hergebruik van heiligenbeelden in de kunst een Nederlands fenomeen. Wellicht klopt dat: Nederlanders staan bekend als een zuinig volkje en daar past recyclen van kunstwerken wel bij. De eerste die afgedankte heiligen onder handen nam, was rond 1965 de Bossche kunstenaar Jacques Frenken.

Hij haalde ze op bij de Sint-Janskathedraal, verzaagde ze in zijn atelier of sloeg ze vol met spijkers. Frenken zag de nieuwe creaties als een afscheid van kerk en kerkelijk geloof en een zoektocht naar een nieuwe christelijke beeldtaal, maar veel katholieken reageerden geschokt.

Het is wel te begrijpen dat een vrome gelovige schrikt als die opeens een Christusbeeld op een dartbord ziet, met een bullseye op de buik. Of in stukken gezaagde Maria’s die samen een Drostemaria vormen. Geslaagde herrijzenissen zijn de creaties echter wel degelijk.

(Tekst gaat verder onder de foto’s)

Van links naar rechts: Joost van den Toorn, Sint Hubertus, 1987, Museum Catharijneconvent, Utrecht; Alexander Schabracq, Deconstructie IV, 1989, collectie kunstenaar; Nicolas Dings, Schoppenvrouw, 2015, collectie kunstenaar.

Marijn Morée, Perseverance, 2001, collectie kunstenaar.

Tot op de dag van vandaag geven kunstenaars heiligenbeelden complete make-overs. Sommigen gaan redelijk subtiel te werk, zoals Marijn Morée, die broodmagere Jezus een tutu liet dragen. Zodat deze opeens een broer lijkt van Degas’ 14-jarige danseresje.

Anderen transformeren de beelden een stuk rigoureuzer. Alexander Schabracq nam een buste van christus op in een soort totempaal, waarin ook Flipje uit Tiel een plek heeft. En Joost van den Toorn verving Maria’s hoofd door een oranje laars met blauw gewei.

In die hoedanigheid huist het beeld normaal in Museum Catharijneconvent, een voormalig klooster, en is daar dus weer terug in een Christelijke omgeving, waaruit het ooit wellicht verdween. Lange tijd sierden veel goedkope gipsen heiligenbeelden en devotieobjecten de Nederlandse rooms-katholieke kerken en huizen. Door ontkerkelijking kwam daaraan rond de Tweede Wereldoorlog een eind. Ook het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) had grote gevolgen: het rooms-katholieke kerkinterieur werd versoberd en opgeschoond, waardoor veel beelden het veld moesten ruimen.

(Tekst gaat verder onder de foto’s)

Rudolf Holleman, Onbevlekte ontvangenis, 1994, collectie kunstenaar.

Henk Visch, How beautiful this must appear to him who understands it, 1986, Museum voor Relgieuze Kunst, Uden.

Ze verdwenen in kringloopwinkels en op rommelmarkten. Kunstenaars vonden de aan hun lot overgelaten heiligen en gaven hen een nieuwe bestemming. Misschien niet tot ieders smaak, maar ze redden hen wel van de vuilnisbelt of kachel.

De onderhoudende tentoonstelling in het katholieke ’s-Hertogenbosch geeft met zo’n veertig werken een uiterst gevarieerd beeld van de nieuwe levens van heiligenbeelden. De een raakte verstrikt in de spaken van een wiel, een ander belandde samen met een dood vogeltje onder een glazen stolp en een derde slijt zijn dagen als onderdeel van een brandstapelachtige installatie.

Het publiek ziet Jezus, Maria en andere heiligen zoals het die niet vaak ziet. De tentoonstelling – de eerste over dit onderwerp – is daarmee zowel verrassend als origineel. Want Jezus in een draaiorgel, je verwacht het toch niet echt.

Verspijkerd en verzaagd, t/m 5 juni in Het Noordbrabants Museum, ’s-Hertogenbosch

Waardering: @@@@@@@@@@

Share