De wonderlijke wezens van Germaine Richier

Recensie

“Ik voel me meer aangetrokken tot een tak van een dode boom dan door een uitbundig bloeiende appelboom”, zei beeldhouwer Germaine Richier ooit. Haar oeuvre bestaat dan ook niet uit perfecte figuren; aan alle creaties schort wel iets. Een ruim overzicht van die onvolmaakte schepselen is nu te zien in Museum Beelden aan Zee.

Tekst en foto’s: Evert-Jan Pol

Germaine Richier, La Sauterelle, Grande, 1955-1956, collectie Hervé Odermatt.

Germaine Richier (1902-1959) was een van de belangrijkste beeldhouwers van vlak na de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk. Ze onderscheidde zich van veel tijdgenoten door de figuratie trouw te blijven. Vóór 1939 maakte ze realistische portretten en vrouwelijke naakten en tijdens en na de oorlog maakten eigenaardige wezens hun opwachting. Wat te denken van een vrouw met insectenpoten, een paard met zes koppen en een bosbewoner met afdrukken van bladeren op zijn lichaam.

Tevens viel de kunstenares op vanwege onderwerpen die ongewoon waren in de beeldhouwkunst, zoals sprinkhanen. Richier was gefascineerd door insecten en liet ze geregeld opdraven in haar universum. Mieren – ook weinig voorkomend in oeuvres van andere beeldhouwers – doken eveneens op. Van de reusachtige insecten gaat een onmiskenbare dreiging uit.

(Tekst gaat verder onder de foto’s)

Germaine Richier, La Mante, 1946, privécollectie.

Germaine Richier, La chauve-souris, 1946, LaM, Lille Métropole, Musée d’Art Moderne, d’Art Contemporain et d’Art Brut, Villeneuve-D’Ascq.

Germaine Richier, L’Échiquier, Grand, 1959, Don Quixote Foundation, Londen.

Germaine Richier, Le Diabolo, 1950, privécollectie.

Mede gevormd door de gruwelen van de oorlog maakte Richier beelden waarin vergankelijkheid tot uiting komt. De mensen in haar universum zijn breekbaar en complex. De manier waarop ze met haar materiaal omging – ze mishandelde dat bijna – droeg bij aan het rauwe karakter van haar figuren.

De Nederlandse schilder Carel Willink omschreef Richiers beelden als “uit het water opgehaalde kadavers”. Hoewel deze beschrijving misschien weinig vleiend klinkt, is ze wel heel treffend, blijkt uit een rondgang langs de beelden in de tentoonstelling Germaine Richier – Mensbeeld – Mensbeest. Menig figuur lijkt te zijn aangetast door uiteenlopende natuurkrachten.

L’Orage (De storm) uit 1947 bijvoorbeeld, is een man in wiens lijf het water genadeloos gaten sloeg. Aan elke hand heeft hij bovendien nog slechts vier vingers. Hoewel de figuur verweerd en gehavend is, lijkt hij toch een stap naar voren te zetten. Ondanks dat hij beschadigd is, heeft hij toch hoop op overleving en wederopstanding. Die dualiteit is een van de kenmerken van Richiers kunst.

(Tekst gaat verder onder de foto’s)

Germaine Richier, L’Orage, 1947, privécollectie (links) en L’Ouragane, 1948-1949, privécollectie.

Germaine Richier, Le Griffu, 1952, Musée Réattu, Arles.

Germaine Richier, L’Aigle, 1954, collectie Hervé Odermatt.

Tijdens haar leven was Richier geen onbekende voor het Nederlandse publiek. Zowel in 1955 en 1959 had ze een solotentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ook deed ze mee aan enkele groepstentoonstellingen. Na haar dood waren haar sculpturen hier echter nog maar zelden te zien. Aan het werk kan het niet liggen, want dat heeft aan kracht niets ingeboet. De markante figuren zijn nog steeds even indrukwekkend als betoverend.

In de grote daglichtzaal vlskbij het strand in Scheveningen wachten veertig wezens, veelal mysterieus, op nieuwsgierige blikken. De tentoonstelling is ruim opgezet, zodat de gehavende vleermuis, de vogelvrouw, het hoofd op poten en andere magische creaties in Richiers wonderlijke wereld perfect tot hun recht komen.

Germaine Richier – Mensbeeld – Mensbeest, t/m 6 september in Museum Beelden aan Zee, Scheveningen

Waardering: @@@@@@@@@@

Share