Internationale mode in Kunstmuseum Den Haag

Karim Adduchi, ‘She Knows Why the Caged Bird Sings’ collectie, 2016. Courtesy Karim Adduchi.

De modecollectie van Kunstmuseum Den Haag is opgezet met een West-Europese focus. Maar wie in het depot de kasten opent, ontdekt al snel hoeveel draden er zijn met andere culturen. De collectie bevat onder meer handbeschilderde katoen uit India, Chinese zijde, batik uit Indonesië kleurrijke varianten op de Japanse kimono. In de tentoonstelling Global Wardrobe staat de wereldwijde mode centraal.

Door de wereldhandel en kolonisatie kwamen stoffen en kleding uit verre landen in West-Europa terecht. Deze ‘oosterse’ stoffen zorgden voor nieuwe inzichten, materialen en technieken die de West-Europese modegeschiedenis hebben verrijkt en verbreed. Vervolgens zijn ze gekopieerd, geïmiteerd of aangepast naar eigen smaak. Een voorbeeld is de Japonse rock, een kamerjas die in de zeventiende eeuw in de garderobe van de Nederlandse man terechtkwam. Het kledingstuk, gebaseerd op de kimono, werd in Europa gemaakt van zijde, of van de kleurrijke katoenen stoffen uit India. Welgestelde mannen droegen de Japonse rock als statussymbool en lieten zich er graag in portretteren.

Met de komst van grote couturiers in de twintigste eeuw volgde ook het thema inspiratie uit de oost op de catwalk, met aandacht voor landen als China, Japan, Egypte of India. In de jaren 1920 putten ontwerpers als Paul Poiret, Coco Chanel, Jeanne Lanvin en andere tijdgenoten volop uit buiten-Europese culturen. De West-Europese modeontwerpers verbeeldden doorgaans wel een fantasiewereld. Ze maakten creaties die in het land van herkomst zeker niet zo werden gedragen. Oosters droeg bovendien vaak een seksuele fantasie in zich mee, wat als vrijbrief opgevat werd om nét een stapje verder te gaan dan doorgaans de westerse norm was.

(Tekst gaat verder onder de foto’s)

Chinese mantel vermaakt tot avondmantel, en Roemeense mantel gedragen als avondmantel, jaren 1920, Kunstmuseum Den Haag. Foto: Alice de Groot.

Twee Japonse rocken (: kamerjassen voor mannen) in kimono-model van Chinese zijde en ‘bizarre’ zijde, ca. 1750-1775, Kunstmuseum Den Haag. Foto: Alice de Groot.

Hippie outfits, samengesteld uit kleding uit onder andere Afghanistan, India en West-Europa, jaren 1960, Kunstmuseum Den Haag. Foto: Alice de Groot.

Ook gebruikten ontwerpers authentieke niet-westerse kledingstukken voor ‘nieuwe’ ontwerpen. Couturiers zetten de schaar erin en gebruikten onderdelen voor hun creaties. Sommigen deinsden er zelfs niet voor terug om hun eigen label te naaien in een originele Chinese jas. Veel modieuze West-Europese vrouwen droegen in de roaring twenties zo’n mannenjas uit China als avondmantel.

Iets dergelijks gebeurde opnieuw in de hippietijd, maar dan met kleding uit bijvoorbeeld Afghanistan. De ontwerpers van de Hippie chic-stijl in de jaren 60 en 70, zoals Yves Saint-Laurent, en later de ‘verhalenvertellers’ John Galliano, Alexander McQueen en Jean-Paul Gaultier citeerden wederom uit niet-westerse modes. Tot in de jaren 1990 konden couturiers nog vrij kritiekloos andermans cultuur gebruiken in hun ontwerpen. Tegenwoordig ligt dat echter anders.

Rich Mnisi, Xibelani rok gemaakt van 5 km wol, gebaseerd op de Tsonga cultuur, gemaakt in Zuid-Afrika, Hiya Kaya ’21 collectie, 2021. Courtesy Rich Mnisi. Foto: Zander Opperman.

Het werkelijk ‘kopiëren’ uit andere culturen wordt inmiddels al snel gezien als cultureel toe-eigenen, ofwel cultural appropriation. Kopiëren zoals dit decennialang gebeurde onder het mom van waardering en inspiratie kan nu op kritiek rekenen. Als gevolg hiervan lijkt er een kentering gaande in de modewereld. Verschillende grote modehuizen en ook minder bekende ontwerpers leggen verantwoording af voor het gebruiken van andermans erfgoed. Of ze kiezen voor samenwerking, waarbij het handwerk lokaal (en eerlijk betaald) wordt uitgevoerd.

Inmiddels zijn er ook veel jonge ontwerpers met diverse culturele achtergronden opgestaan, die binnen de Parijse, Londense en New Yorkse modewereld uitpakken met invloeden uit hun eigen erfgoed. Deze ontwerpers krijgen in de tentoonstelling Global Wardrobe een podium waarop ze hun eigen verhaal vertellen. Ontwerpers als Kenneth Ize, Jamie Okuma, Duran Lantink, Karim Adduchi, Lisa Konno, Tomo Koizumi, Thebe Magugu en Sindiso Khumalo spreken zich uit via hun modewerk en bieden zo een nieuwe kijk op de wereldwijde modeconnectie.

Global Wardrobe – De wereldwijde modeconnectie, 9 oktober 2021 t/m 16 januari 2022 in Kunstmuseum Den Haag

Share