De eerste jaren van Rijksmuseum van Oudheden

Zaterdag 13 juni 1818 was een mooie zomerse dag, met een middagtemperatuur van zo’n 21 graden. Op deze dag gaf koning Willem I aan Caspar Reuvens de opdracht een nationaal archaeologisch cabinet op te bouwen. Dit zou uitgroeien tot het Rijksmuseum van Oudheden (RMO), dat dit jaar dus zijn tweehonderdste verjaardag kan vieren.

Tekst: Evert-Jan Pol

Zaaloverzicht. Foto: Rijksmuseum van Oudheden.

Reuvens was met 25 jaar een jonge museumdirecteur en misschien daardoor ook wel zeer ambitieus. Hij was onder de indruk van Musée Napoleon, het huidige Louvre in Parijs, en hij vond dat ook Nederland een dergelijk museum moest hebben, met archeologische collecties uit de hele wereld. Met dat ideaal voor ogen ging hij aan de slag als directeur.

Hij breidde de in eerste instantie uit 150 Griekse en Romeinse beelden bestaande collectie in rap tempo uit. Mede dankzij de hulp van twee militairen: de Vlaamse kolonel Bernard Rottiers en de Nederlandse majoor Jean-Emile Humbert.

Rottiers vond in 1819 tijdens opgravingen bij Athene grafreliëfs uit de bloeitijd van de Griekse beeldhouwkunst. Tussen 1824 en 1826 ging hij op expeditie naar Griekenland, waar hij opgravingen verrichtte op het eiland Melos. Reuvens kocht de verzamelingen voor het museum.

(Tekst gaat verder onder de foto’s)

Museumzaal in 1930. Foto: Rijksmuseum van Oudheden.

Kolossale voet, marmer, 50 cm, vermoedelijk Romeins. Foto: Rijksmuseum van Oudheden.

Bisschopsring, goud en bergkristal, 13de eeuw, uit Wijk bij Duurstede. Foto: Rijksmuseum van Oudheden.

Humbert was gefascineerd door Carthago en wist de resten van deze verdwenen stad te vinden in Tunesië. De voorwerpen die hij tijdens opgravingen vond, verkocht hij aan Reuvens. Tussen 1826 en 1830 reisde Humbert voor het museum door Italië en kocht daar grote verzamelingen Etruskische en Egyptische oudheden aan. Dankzij Rottiers en Humbert werd de Leidse archeologische collectie een van de belangrijkste in de negentiende eeuw.

Louis Moritz, portret van Caspar Reuvens (1793-1835), collectie en foto: Stadsmuseum Harderwijk.

Ook Nederland zelf bleek een goede bron voor nieuwe aanwinsten. Reuvens liet vanaf 1827 opgravingen verrichten in Voorburg. Daar kwamen resten van de Romeinse stad Forum Hadriani boven water. De gevonden voorwerpen kregen onderdak in het museumgebouw aan de Houtstraat. Dat overigens nog niet toegankelijk was voor het publiek; alleen studenten en geleerden mochten het bezoeken.

In 1838 verhuisde het RMO naar Breestraat 18, waar voor het eerst ook het ‘gewone’ publiek welkom was. In het eerste jaar kwamen ongeveer 3.000 mensen kijken naar de oudheden.

Reuvens maakte dat zelf niet meer mee; hij overleed plotseling in 1835, op 42-jarige leeftijd. Hij liet een museum na dat de tand des tijds wist te doorstaan. Een museum ook dat zich had kunnen meten met het door hem geliefde Musée Napoleon.

De jubileumexpositie Al 200 jaar van nu vertelt voor de verandering eens niet de geschiedenis van diverse culturen, maar die van het museum zelf. En laat zien hoe het kleine archaeologisch cabinet uitgroeide tot een instituut van formaat, met onder meer een van de grootste Egyptische collecties ter wereld.

Al 200 jaar van nu, t/m 2 september in Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

Share