Rijksmuseum eert 2 ‘onbekende’ Nederlandse kunstenaars

“U gaat twee ongelofelijk mooie tentoonstellingen zien”, meldt directeur Taco Dibbits de aanwezigen tijdens een persvoorbezichtiging afgelopen dinsdag in Het Rijksmuseum. Uiteraard hoort een museumdirecteur dat te zeggen, maar feit is dat de exposities over Johan Maelwael en Matthijs Maris bijzonder zijn.

Tekst: Evert-Jan Pol

Johan Maelwael, La Grande Pietà ronde, ca. 1400, Musée du Louvre. Foto: Erich Lessing.

Als Jean Malouel is Maelwael (ca. 1370-1415) beroemd in Frankrijk, maar in het land waar zijn wieg stond, kent bijna niemand hem. En dat terwijl hij geldt als Nederlands eerste schilder. Volgens Dibbits komt dat doordat er slechts acht schilderijen bewaard zijn gebleven. “En die zijn allemaal in het buitenland.”

Een van die werken is La Grande Pietà ronde, uit de collectie van het Louvre in Parijs. Het verliet die stad voor het laatst in 1962 en reisde in de afgelopen honderd jaar zelfs minder dan de Mona Lisa.

Dat het topstuk nu in Amsterdam is, is te danken aan het zeventiende-eeuwse echtpaar Marten en Oopjen. Het Rijksmuseum en het Louvre kochten deze portretten van Rembrandt samen aan, waardoor, in de woorden van Dibbits, beide musea nu aan elkaar verbonden zijn door een huwelijk. En echtelieden hebben wel wat voor elkaar over.

Claes Heynenoon, Wapenboek Gelre, ca. 1395, Koninklijke Bibliotheek Brussel.

Hoewel van Maelwael (wat toepasselijk genoeg zoveel betekent als ‘hij die goed schildert’) slechts acht werken bekend zijn, bestaat de tentoonstelling uit zo’n vijftig objecten. Het museum toont onder meer werk van Maelwaels neven, de drie gebroeders Van Limburg. Die maakten, na introductie door hun oom, naam als miniatuurschilders in Frankrijk.

De tentoonstelling Johan Maelwael is te zien vanaf morgen, 6 oktober. De tweede expositie die dezelfde dag opent in de Philipsvleugel gaat over Matthijs Maris, ook al zo’n Nederlandse schilder die bekender is in een ander land.

(Tekst gaat verder onder de foto’s)

Matthijs Maris, De vlinders, 1874, The Burrell Collection. Foto: Glasgow Museums.

Matthijs Maris, Smart (Verloren illusies), ca. 1911-1917, privécollectie.

Een groot deel van zijn oeuvre bevindt zich in Schotland, als onderdeel van The Burrell Collection. Naamgever William Burrell (1861-1951) liet na zijn dood zijn hele verzameling na aan de stad Glasgow, onder voorwaarde dat die nooit de zee zou oversteken. Omdat museum The Burrell Collection wegens renovatie tot 2020 is gesloten, gaf het Schotse parlement bij hoge uitzondering toestemming voor bruikleen aan het Rijksmuseum.

De tentoonstelling laat Maris’ ontwikkeling als kunstenaar zien, van Vlinder uit 1874 tot het zo’n veertig jaar later geschilderde Smart. Het eerste doek toont een lieflijk meisje, liggend op haar rug in het gras omgeven door vlinders. Het tweede schilderij is een mysterieuze voorstelling van een vrouw. Veel minder figuratief ditmaal; de vrouw is niet meer dan een schim. Tegenwoordig zouden we het bijna abstract noemen. Het Rijksmuseum vertelt het verhaal van deze zonderling die in zijn eigen tijd wereldberoemd was, maar die eenzaam en vrijwel teruggetrokken eindigde in zijn Londense atelier.

Johan Maelwael, 6 oktober 2017 t/m 7 januari 2018 / Matthijs Maris, 6 oktober 2017 t/m 7 januari 2018, beide in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum, Amsterdam

Share